| Kernwoord |
Uitleg |
Voorbeeld |
| Aanhalingstekens |
Gebruik je voor een citaat of als iets niet letterlijk
is bedoeld. |
"... " of ‘...’ |
| Accenttekens |
Gebruik je om iets nadruk te geven of om dubbelzinnigheid
te voorkomen. |
Hij moest voorkómen dat
hij moest vóórkomen.Er is één kind geboren. |
| Achtervoegsel |
Een niet-zelfstandig woorddeel dat je achter een zelfstandig
voorkomend woord zet. Zie ook Afleiding |
-eren in eieren of -tje in eitje |
| Afbreekteken |
Gebruik je om een woord af te breken aan het einde van
een regel. |
- |
| Afkorting |
Verkorte schrijfwijze |
NT2 |
| Afleiding |
Een woord met een woorddeel dat niet zelfstandig kan voorkomen
(voor- of achtervoegsel). |
- tje in ‘stoeltje’ |
| Apostrof |
Een leesteken: ’ |
kiwi’s’t kofschip |
| Apostrof |
Leesteken dat je bijvoorbeeld gebruikt in verkleinwoorden,
als vervangingsteken of als bezitsvorm. |
baby’tje |
| Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord |
Een voltooid deelwoord dat als bijvoeglijk naamwoord wordt
gebruikt. |
de getrouwde vrouw |
| Bijvoeglijk naamwoord |
Vertelt iets over een zelfstandig naamwoord. |
de knappe man |
| Bijzondere bepaling |
Een toevoeging die de betekenis van het basiswoord specifieker
maakt. |
assistent-arts |
| Directe vraag |
Letterlijke vraag. Vraag eindigt met een vraagteken (zie
ook Indirecte vraag). |
Vind je het een leuke opdracht? |
| Drie puntjes |
Heet ook wel beletselteken.Is bedoeld om aan te geven:-
dat de zin niet wordt afgemaakt- voor een spanningwekkende pauze, of- om
de plaats van weggelaten tekst aan te geven. |
...(...) |
| Dubbele punt |
Geeft aan dat er een letterlijk citaat, uitleg of een
opsomming komt. |
: |
| Eigennamen |
Verwijst naar één iemand, groep, plaats, plek
of gebeurtenis (in tegenstelling tot soortnamen). |
OBS de Bongerd |
| Gebiedende wijs |
Werkwoordsvorm waarmee een bevel of wens wordt aangegeven. |
kom snel thuis |
| Gedachtestreepjes |
Zet je om een mededeling die terzijde is of voor een wending
in de zin. |
- |
| Gelijkwaardige delen (samenstelling) |
Woorden of delen in een samenstelling die even belangrijk
zijn. |
Frans-Amerikaanse uitvinding, kosten-batenanalyse |
| Getal |
Drukt een aantal of hoeveelheid uit. Kan geschreven worden
met cijfers of letters. |
zeven, zestienduizend, 7, 17.000 |
| Haakjes |
Zet je om een mededeling die terzijde is. |
( ) |
| Hoofdletter |
Kapitaal. |
H |
| Indirecte vraag |
Vraag die niet eindigt met een vraagteken (zie ook Directe
vraag). |
Hij vroeg, of je het een leuke opdracht vindt. |
| Infinitief |
Het hele werkwoord. Dus het werkwoord zonder vervoegingen,
zoals het in het woordenboek staat. |
wielrennen |
| Klinkerbotsing |
Kan ontstaan als twee klinkers naast elkaar komen te staan
en samen het teken zijn voor een niet bedoelde klank. |
‘eu’ in studieurenje schrijft: studie-uren |
| Klinkers |
a, e, i, o, u |
|
| Klinkerverandering |
Sommige werkwoorden krijgen in de verleden tijd andere
klinkers in dan in de tegenwoordige tijd. |
lopen - liep |
| Komma |
Geeft leespauze aan. |
, |
| Koppelwerkwoord |
Zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten,
dunken en voorkomen als ze voorkomen met een naamwoordelijk gezegde. |
‘Wordt’ in ‘Zij wordt kampioen’. |
| Leestekens |
Teken dat delen van de zin scheidt. Helpen bij het lezen
van de tekst. |
;-– (gedachtestreepje)) |
| Letterwoord |
Afkorting die als een woord wordt uitgesproken |
pabo, soa, mavo |
| Meervoud |
Het zelfstandig naamwoord staat in de meervoudsvorm en
dat betekent dat het om meer dan één gaat. |
vogels, vliegtuigen, kinderen |
| Naamwoordelijk gezegde |
Koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel dat aan het
onderwerp is gekoppeld. |
Hij is brandweerman. |
| Onderwerp |
Zinsdeel dat in getal overeenkomt met de persoonsvorm.
Het is ‘de kunstenaar schildert’ en ‘de kunstenaars schilderen’.Als
je weet wat de persoonsvorm is in de zin, kun je het onderwerp vinden door
te vragen: wie of wat + persoonsvorm? |
De kunstenaar schildert
vol passie. Wie schildert vol passie? |
| Onregelmatige werkwoorden |
Werkwoorden die een andere dan de gebruikelijke vervoeging
hebben. |
De fles wordt ontkurkt
en niet geontkurkt |
| Persoonsvorm |
Werkwoordsvorm die vervoegd wordt.Als het onderwerp (ik/jij/hij,
wij/jullie/zij) verandert, verandert de persoonsvorm:- in persoon: eerste
(ik/wij) tot derde (hij/zij/Piet)- in getal: enkelvoud (ik/jij/hij) of meervoud:
(wij/jullie/zij).Als je de zin vragend maakt, staat de persoonsvorm altijd
voorop. Als je de zin in een andere tijd zet, is het werkwoord dat verandert
de persoonsvorm. |
Paul gaat wandelen in Nepal. Gaat
Paul wandelen in Nepal? Paul ging [vorig jaar]
wandelen in Nepal. |
| Punt |
Geeft aan waar de zin eindigt. |
. |
| Puntkomma |
Gebruik je om twee gelijkwaardige zinnen met elkaar te
verbinden Kun je ook gebruiken in een opsomming. |
; |
| Rangtelwoord |
Geeft een plaats in een volgorde aan. |
tweede, vijfendertigste |
| Samengestelde zin |
Zin met meerdere persoonsvormen. |
Hij kwam te laat en moest
ook nog eerder weg. |
| Samenstelling |
Een woord dat ontstaat uit twee of meer woorden die ook
zelfstandig kunnen voorkomen. |
‘Wereldberoemd’ is een samenstelling van
‘wereld’ en ‘beroemd’. |
| Samentrekking |
Twee samengestelde woorden die allebei eenzelfde woord
hebben, kun je samentrekken door het eerste of tweede woord te vervangen
door een streepje. |
‘Aardbeienjam en bramenjam’ wordt ‘aardbeien-
en bramenjam’. |
| Sjwa-klank |
De toonloze (‘stomme’) e: de klank van de
tweede e uit ‘ezel’. |
de e-klank in ‘de’ |
| Soortnamen |
Algemene soortaanduiding, verzamelnaam (zie ook Eigennamen). |
basisschool, montessorischool |
| Stam van het werkwoord |
De stam is hetzelfde als de ik-uitgang (meestal is dat
het hele werkwoord zonder -en). |
fiets |
| Superieur |
Klein cijfer, bovenaan de regel(Engels: ‘superscript’). |
Een ‘e’ in het superscript geeft een rangtelwoord
aan: ‘28e’. |
| ’t Kofschip |
Ezelsbruggetje om te weten of werkwoorden in de verleden
tijd en als voltooid deelwoord een -t of een -d krijgen.Kijk naar het hele
werkwoord zonder de laatste -en. Wat is dan de laatste letter? Is deze letter
een van de letters in ’t Kofschip, dan krijgt het werkwoord -te/-ten
in de verleden tijd. Zo niet, dan krijgt het werkwoord -de/-den aan het
einde. |
surfen, surfte, heeft gesurft,
rennen, rende, heeft gerend |
| Tegenwoordig deelwoord |
Het hele werkwoord + -d of -de. |
De dansende buurvrouw;de
buurvouw komt dansend haar huis uit. |
| Tegenwoordige tijd |
Werkwoordstijd die aangeeft dat iets nu gebeurt. |
ik dans |
| Tijdsbepaling |
Daaraan kun je zien in welke tijd de zin staat. Verleden
tijd, tegenwoordige tijd of toekomende tijd. |
nu, lang geleden, volgend jaar |
| Toekomende tijd |
Werkwoordstijd die aangeeft dat iets nog moet gebeuren. |
hij gaat morgen dansen |
| Trema |
Twee puntjes boven de letter, zoals bij het meervoud van
woorden die eindigen op -ee en -ie. |
zeeën, genieën, oliën |
| Uitroepteken |
Zet je na een uitroep of om de zin nadruk mee te geven. |
! |
| Verleden tijd |
Werkwoordstijd die aangeeft dat iets eerder gebeurt is. |
zij dansten gisteravond |
| Versterking |
Een woord dat een versterkende betekenis heeft. |
‘bere’ in beregoed |
| Voltooid deelwoord |
Werkwoordsvorm die aangeeft dat iets gebeurd is of aan
het gebeuren is. |
Wij hebben veel gedanst.
De boom wordt geplant. |
| Voorvoegsel |
Woorddeel dat je voor een ander woord kunt zetten. |
‘on-’ in ‘onbehandelbaar’ |
| Vraagteken |
Zet je na een directe vraag. |
? |
| Werkwoord |
Drukt meestal een actie uit en wordt vervoegd. |
lachen (ik lach, jij lacht) of swingen (ik swing, jij
swingt) |
| Zelfstandig naamwoord |
Een woord waar je ‘het’ of ‘een’
voor kunt zetten. |
het verhaal, een wenteltrap |